Adrie gaat studeren

“Ik wil in Leiden studeren.” Eindelijk had Adrie het uit zijn strot gekregen. Hij zei het heel stellig, voor zover hij dat durfde, natuurlijk. Ze zaten aan de keukentafel, pa met de opengeslagen krant voor zich uitgespreid, moe met het verstelmandje, bezig de kapotte kousen te stoppen, Adrie zelf met een boekje vol schaakproblemen, de stukken op het bord voor zich. Alle drie met een kop warme chocolademelk. De andere kinderen waren al naar bed. Het was vredig, rustig, Adrie hield van deze sfeer zo met zijn drieën. Nu durfde hij wel met zijn wens voor de dag te komen.

Pa viel stil, hij haalde de tabaksdoos uit zijn broekzak, begon een sjekkie te rollen, een dikke zoals altijd, stak hem aan met de walmende vlam van zijn benzineaansteker, en veegde de op de krant gemorste sliertjes shag met een brede veeg van tafel. “Zou je niet naar Nijmegen gaan”, vroeg hij. “Is dat niet beter voor je?”

Adrie had het al voelen aankomen. Nijmegen, de katholieke universiteit, daar wilde pa hem naar toe hebben. Pa was bang dat zijn oudste zoon in het goddeloze Leiden van zijn geloof zou afvallen en dat wilde hij kost wat kost voorkomen. Adrie was daar zeker van. Zes jaar eerder, aan het eind van de lagere school, toen hij zijn plechtige communie deed en naar het gymnasium mocht, had pa hem eens in vertrouwen genomen. Adrie, had hij gezegd, zul je nooit vergeten wat je vandaag hebt beloofd in de kerk: dat je trouw zult blijven aan het geloof. Je gaat nu de grote wereld in, je zult blootgesteld worden aan allerlei verlokkingen. Blijf sterk, hè.

Adrie herinnerde zich nog, dat hij dit moment heel bijzonder vond, dat allerlei gevoelens tegelijk door hem heen gingen: blijheid dat pa zo vertrouwelijk met hem was, en trots ook dat pa zo serieus met hem praatte. Hij voelde zich zomaar ineens een stuk ouder, volwassen leek het wel. Hij had instemmend geknikt. Ja, hij zou sterk zijn. Al vroeg hij zich wel af wat die verlokkingen inhielden. Hij werd er meteen heimelijk nieuwsgierig naar.

“Nee, ik wil naar Leiden”, zei hij, “het is veel minder ver reizen, en andere jongens van de school gaan er ook heen.” Nu moest hij sterk zijn, dacht hij. Toch klonk zijn verweer niet zo vastberaden als hij wilde, eerder nogal zwak. Het echte argument, de kwestie van het geloof, wilde hij voor geen prijs aanroeren. Dan zou hij zich moeten blootgeven. Hij zou niet kunnen verbergen dat hij vol twijfels was, er soms zelfs een pesthekel aan had. Hij wilde naar Leiden om weg te kunnen uit de verstikkende roomse sfeer, de poppenkast van processies, de verkleedpartijen van priesters in Romeinse gewaden, de verplichting van kerkbezoek.

Pa inhaleerde diep, en blies met kracht de rook door de spleet van zijn lippen. De kegel van zijn sjekkie gloeide op. Met duim en wijsvinger plukte hij een stukje vloei van zijn bovenlip. “Adrie, wij hebben zo gestreden voor een eigen universiteit, Opa heeft er jaren lang voor gecollecteerd, en nu wil jij naar Leiden? Hebben wij voor niks geijverd voor onze zaak?”

Adrie keek hem niet echt aan. “Nee, ik wil liever naar Leiden, dat is veel dichterbij, je bent er binnen het uur. Bovendien hebben ze er een studentenparochie met een pastoor en een kapelaan, en een katholieke studentenvereniging, echt.”

Er viel opnieuw een stilte, moe schonk de lege koppen vol met chocolademelk, en begon aan een nieuwe kous. Pa sloeg een blik in de krant, trok heftig aan zijn sjekkie dat fel opgloeide. Er viel een kegel as op zijn dij. Hij wreef die weg in de stof van zijn manchester broek. Adrie boog zich weer over zijn schaakprobleem, maar geconcentreerd was hij niet. Gedachteloos schoof hij wat schaakstukken over het bord.

Eindelijk vond pa een paar woorden. “Nou Adrie, als je echt naar Leiden wil, dan krijg je een autootje, dan kun je elke dag op en neer rijden.” Verdomme, dacht Adrie, dan woon ik toch nog thuis, zit ik toch nog in die roomse sfeer. Hij was verrast, om niet te zeggen, overdonderd door het aanbod. Voor geen goud wilde hij dat autootje. Hij wilde op kamers, weg, weg. Hij zou zich door deze truc niet laten overhalen, echt niet.

“Nee, ik hoef dat autootje niet”. Nog steeds had hij de ogen afgewend. Hij wist dat hij nog een argument had. Hij wilde dat liever niet gebruiken, maar de gespannen stilte dwong hem ertoe. “En als ik op kamers ga, komt er een bed vrij voor mijn broertjes en zusjes, en is er meer plek voor ze aan tafel. Dan zijn jullie ook weer van een zorg af.”

Stilte, ieder trok zich terug in zijn bezigheid, in de weer met zijn eigen gedachten. De keukenwekker tikte demonstratief  de seconden weg. Adrie voelde tot zijn opluchting, dat de wil bij pa om te praten wegzakte. Voor vanavond althans. Na een laatste haal drukte hij zijn peuk uit op het schoteltje.

“Moe, zullen we het rozenhoedje maar gaan bidden, het wordt bedtijd.” Moe zette de kopjes op het aanrecht, pakte de rozenkrans die over het corpus van het kruisbeeld hing en gaf hem aan pa. Ze trokken een stoel naar zich toe en gingen op de knieën. Adrie volgde, met grote tegenzin, maar zonder echt tegen te stribbelen. Half hangend over de zitting van de stoel, de handen gevouwen, bedacht hij, dat zijn tijd nog wel zou komen.


Geplaatst op 22 april 2013 in Proza